woensdag 31 oktober 2007

Leven en dood (2)

En vandaag denkt ook Martin Bril in zijn Volkskrant-column aan Jan Wolkers en net als Remco Campert denkt ook hij daarbij aan het leven, niet de dood:

Aan de andere kant van het pad graasden een paar koeien. Bruin. Een van hen keek nieuwsgierig mijn kant op. De zon scheen precies op zijn neus. Die was groot en wellustig glanzend roze van kleur. Uit de neusgaten stroomden dikke wolken adem. De koe kwam langzaam en log mijn kant op. De uier tussen haar achterpoten schudde vermoeid heen en weer. Aan haar kont plakten resten stront en bloed. Ze deed een paar passen opzij en ik zag nu achter haar in het weiland een jong kalf liggen, ook bruin, maar lichter van kleur en nat van de geboorte, maar al wel door haar moeder goed schoongelikt.

Kijk, ik dacht aan Jan Wolkers.

Die gedachte hield verder niets in. Ik dacht gewoon aan hem. De liefde voor het vlees, in overdrachtelijke zin, de lust, de vitaliteit, het scherpe oog voor zelfs de kleinste spin.
Het kalf krabbelde intussen moeizaam overeind en stond uiteindelijk met vier scheve poten rechtop, als een steltlopend kind dat de macht over de hoge stokken dreigt kwijt te raken. Het dier zakte weer in. De moederkoe draaide zich naar haar om.



In het kader van een Volkskrant-prijsvraag heb ik me es aan een 'Bril' over Bril gewaagd (niks gewonnen):



DE VLIEG

Het terras zit vol, de zon schijnt voor de verandering uitbundig. Binnen in café Vertigo onder Filmmuseum Amsterdam is het rustig en koel. Achterin is het drukker, daar vindt de presentatie plaats van het Vakantieboek van modeontwerper Hans Ubbink. En opeens is hij daar, de chroniqueur van het Nederlandse leven. Een dagelijks stukkie in de krant over het grote en kleine dat iemand meemaakt die zijn huis verlaat. Dat wordt opgeschreven in een stijl die hem past als een soepelleren handschoen. Meestal opgewekt, soms mistroostig of juist scherp en heel soms bozig. Maar dus meestal opgewekt, aanstekelijk opgewekt.

Dat is zijn stiel.

Ja, zoals hij daar opeens staat, zo is hij. Onopvallend bijna, speurend met wat toegeknepen ogen. Van lengte gemiddeld, van kleding modieus maar niet uitbundig. Zonnebril in het grijswitte haar gestoken.

Een vlieg op de muur.

Hij wordt ontvangen door Ubbink. Hij mag de ontwerper om zijn pakken en zijn jongensachtige charme. En hij herkent de mond. Net als de zijne omsluit deze ternauwernood het gebit. Hun mond mag van nature bescheiden zijn, het gebit verraadt de geldingsdrang. Hij blijft bij de begroeting enigszins richting vloer staren. Niet als een bedremmelde schooljongen. Maar als een nieuwsgierig joch dat iets belangwekkends op die vloer ontwaart. Hij lijkt tegelijkertijd afwezig en volkomen op zijn gemak.

Mooi.

De ontwerper geeft hem het woord. De man wiens kleding hij graag draagt heeft hem gevraagd een toespraakje te houden bij de presentatie van het Vakantieboek, waarvoor hij een aantal vakantieverhalen heeft geleverd. Een kwinkslag hier, een scherts daar, hij schudt het grijnsmonkelend uit de mouw. Met die wat gebogen rug, de blik naar de grond gericht. Alsof hij de tekst daar vanaf zuigt met die brede mond die omstandig beweegt . Om dat gebit heen natuurlijk. De grote tanden geven hem iets gretigs. Hij lacht zijn ruwe lach - voordat alle anderen lachen. Het is goed zo, woorden zijn zijn leven. Als hij het leven in zijn woorden kan gieten is hij tevreden. Geluk is een te groot woord.

Nee, het gaat hem om iets anders.

Humeur.

Het leven weten te vangen in goedgekozen woorden, dat geeft hem dat onverwoestbaar goede humeur.

Uit het middelpunt na zijn praatje staat hij daar wat verloren. Twee blonde meiden stappen op hem af. Hij grijnst zijn grijns, eentje die van oor tot oor trekt. Daar is hij goed in, grijnzen. Hij heeft wel eens gehoord dat vrouwen dat aantrekkelijk aan hem vinden. Komt mooi uit, hij doet het graag. “Mag ik met je op de foto?” vraagt de een en daar gaan ze. Hij met haar, hij alleen, met z’n drieeën, hij met dame twee, hij weer alleen. Geamuseerd wordt er om hen heen toegekeken. De stip op de muur staat ineens op de vloer midden tussen de toeschouwers. En hij vindt het niet erg. Vanwege zijn dochters die hun slaapkamers hebben behangen met hún idolen? Is het een laatste oprisping van jeugdige ijdelheid? Geldingsdrang die kruipt waar zij niet gaan kan?

Wie weet.

Zij beloven hem de foto’s toe te sturen. Hij toont zich ingenomen. Dan, opeens, is hij verdwenen. Zo plots en ongezien als hij was gekomen. Hij moet verder.

Geen opmerkingen: